Verslag vijfde ledenbijeenkomst

donderdag 22 januari 2026, 10.00-14.00 uur,
Ariënsinstituut, Keistraat 9, Utrecht
- Opening
Petra Mergaerts opent de bijeenkomst. Ze introduceert het thema, waarbij ze aangeeft dat ‘toe-eigening’ iets is wat mensen voortdurend doen, in allerlei situaties en op allerlei vlak. Vandaag richten we ons speciaal op de toe-eigening van psalmen. Ze stelt de spreker van vandaag voor, Dr. Henk Vogel, gepromoveerd op een onderzoek naar het gebruik van psalmen buiten de liturgie: Sing after God a New Song. Ritual-musical appropriations of Psalms in contemporary Dutch and Flemish culture. Utrecht/Groningen 2024 (https://henkvogel.com/category/onderzoek/psalmenonderzoek/; https://www.pthu.nl/irilis/nl/publicaties/netherlands-studies-in-ritual-and-liturgy/sing-after-god-a-new-song-definitieve-online-publicatie.pdf.
- Lezing
Na een korte voorstelronde zingen we, als introductie op de lezing, een nieuwe psalm: ‘En Route van mens tot mens’. De tekst is geschreven door Bruno Neuville in het kader van een van de door Henk onderzochte projecten, Poesia Divina 2017. De toonzetting is van Henk Vogel, ‘gisteravond geschreven’. Het is een tekst zonder interpunctie, ‘dus was het even zoeken’, aldus Vogel.
Henk schetst hoe het onderzoeksveld ontstond vanuit de waarneming dat er steeds vaker psalmen opduiken in het culturele niet-kerkelijke terrein. Hoe komt dat, was de vraag die daarbij opkwam. Zo werd de invalshoek van het onderzoek: How to understand ritual-musical appropriations of Psalms in contemporary Dutch and Flemish culture, against the background of the transfer and transformation of religion, and how to evaluate these ritual-musical appropriations. Het gaat dus over ritueel-muzikale toe-eigeningen van psalmen in de hedendaagse Nederlandse en Vlaamse cultuur tegen de achtergrond van de transfer en transformatie van religieuze praktijk. Daarbij onderzocht hij vier casussen.
- Vier casussen
- 150 Psalms
Een project van het Nederlands Kamerkoor i.s.m. Det Norske Solistkor, The Tallis Scholars en The Choir of Trinity Wall Street Trinity. Het project bestond uit twaalf thematische concerten in twee dagen. Elk concert werd voorafgegaan door inleiders (o.a. Oek de Jong, Ramsey Nasr en Desanne van Brederode) en lezingen van o.a. Michael Ignatieff.
- Psalm 151
Een project van Cappella Amsterdam met componist Boudewijn Tarenskeen. Diverse dichters (Freek de Jonge, Marjolijn Heemstra, Ramsey Nasr, Marieke Lucas Rijneveld, Willem Jan Otten, e.a.) schreven een ‘psalm 151’ en Tarenskeen schreef daar muziek bij, voor enkele zangers en orgel (eventueel accordeonensemble).
- Genemuider bovenstem
Deze lokale zangwijze, teruggaand op in ieder geval de negentiende eeuw, is sinds 2013 cultureel immaterieel erfgoed. Het gaat om bovenstemmen bij de melodieën van het Geneefs psalter, isometrisch en langzaam gezongen, met orgelbegeleiding. Op kenmerkende tekstuele momenten, met name redding en uitkomst, wordt een bovenstem ingezet, zodat er tweestemmigheid, soms ook driestemmigheid ontstaat. Deze wijze van zingen hoort vanouds thuis in een liturgische setting en wel van verschillende orthodox-gereformeerde denominaties. Bij samenzangavonden zit men echter samen in één (monumentaal) gebouw en gaat het zingen over de kerkmuren heen. Dat heeft ook te maken met de verplichting voor de bijschrijving in het register van immaterieel erfgoed om activiteiten te ontwikkelen, die stimuleren dat de praktijk in leven wordt gehouden (een buitenkerkelijk aspect). De harmonieën zijn vrij eenvoudig, eenvoudiger dan Goudimel, ze liggen zo voor de hand dat het zingen van de bovenstem ‘als vanzelf’ gaat. Nu deze praktijk immaterieel erfgoed is geworden, gaan de bovenstemmen echter ook genoteerd worden. Ze worden daardoor dus vastgelegd.
- Poesia divina
Een onderdeel binnen het project Musica Divina. Gedurende vier jaar werden verschillende dichters uitgenodigd om een nieuwe psalm te schrijven en voor te dragen.
- Proces van betekenisgeving
In alle gevallen is sprake van een proces van betekenisgeving. De vraag daarbij is: welke bestaande connotaties spreken mee? Met andere woorden: hoe ‘praten’ de psalmen terug? Het proces van toe-eigening is altijd een dialoog (zie Paul Ricoeur: wederzijds proces van betekenisgeving). Het is niet blanco, ontstaat niet in een vacuüm. Het verleden resoneert mee en maakt dat bepaalde betekenissen meer voor de hand liggen dan andere. Ook kan het tegenspreken. Er is geen ‘echte’ betekenis, ergens in het verleden te vinden.
Het onderzoek had de vorm van een etnografisch onderzoek. Concreet: veel interviews, en het bijwonen van concerten en bijeenkomsten. Dat leverde veel onderzoeksdata op. Daarbinnen zocht Vogel hoe men met een psalm bezig is, hoe laten deelnemers zich gezeggen, want zowel de organisatoren, de makers en uitvoerenden als het publiek zijn niet met een willekeurige tekst bezig, maar met een psalm.
Vogel kwam uit op drie lijnen:
- Hoe richt je je tot God?
- Hoe geef je collectieve participatie vorm?
- Hoe geef je existentiële contemplatie vorm?
Ad a: Dichters en componisten vermijden bewust het woord God, vaak om de tekst universeler te maken. Weer anderen experimenteren welbewust, bijvoorbeeld: ‘Geloofd zijt Gij. Ik heb U nooit geloofd’.
Ad b: In het geval van de Genemuider bovenzang is de collectieve participatie overduidelijk. Er is louter samenzang, alle deelnemers zijn zingende deelnemers. Dat bewerkt een ervaring van flow, opstijgen, transcendentie. In de andere voorbeelden is er geen samenzang, maar wel is er sprake van het zoeken naar het collectieve. Soms gebeurt dat door een refrein, of: ‘en nu allemaal…’. Soms wordt het collectieve aangeraakt en opgeroepen door het gebruik van bekende ‘frases’ uit het collectieve bewustzijn, erfgoed. In Psalm 151 zie je dat Boudewijn Tarenskeen het collectieve bewust wil ontmantelen, corrumperen, het burgerlijke en kerkelijke ondermijnen. Tegelijk speelt hij wel met collectieve door zijn muziek in kerken uit te voeren, het orgel te gebruiken, of door polyfone fragmenten in te voegen.
Rond de Genemuider bovenstem is overigens ook sprake van een zekere laat-moderniteit doordat de samenzangavonden niet in de kleine, eigen kerkjes plaatsvinden, maar in een grote, monumentale kerk met dito orgel, zoals de Bovenkerk te Kampen.
Ad c: In alle gevallen wordt een eigen universum gecreëerd. Dat wordt gekenmerkt door verstilling, vertraging en apart gezet worden. Verder ook door het adresseren van allerlei thema’s (de ‘echte dingen’ van het leven). Bij 150 Psalms bijvoorbeeld was er de combinatie met World Press Photo. Bij de Genemuider bovenzang is dit aspect minder duidelijk, maar wel weer zichtbaar doordat ‘opbrengst’ bestemd is voor een ‘goed doel’.
- Culturele trends en kenmerken
In het algemeen valt te signaleren dat er enerzijds sprake is van aansluiting bij de bestaande religieuze cultuur, terwijl er tegelijk ook aangesloten wordt bij de contemporaine, laatmoderne cultuur:
- Expressive individualism (Zigmund Baumann, Charles Taylor):
- meer nadruk op religieuze diversiteit
- individuele spirituele beleving
- diversiteit
- Disenchantment/onttovering (Max Weber)
In een onttoverde wereld is er behoefte aan schoonheid, verstilling, verwondering. Anders gezegd: behoefte aan bevrijdende contrastervaringen. De psalmteksten zelf zijn daar al een uiting van.
NB: dit is ook te zien in Genemuiden, namelijk door de psalmzang uit de gebruikelijke liturgie te halen en haar bovendien naar een prachtige monumentale kerk te brengen.
- Crises (‘age of (poly)crises’)
De behoefte in de kunsten om zich collectief te kunnen verhouden tot crises die zich in de wereld voordoen, maar ook persoonlijk (bijv. burn-out). Psalmen lenen zich daarvoor, met hun aandacht voor rechtvaardigheid en lijden.
- ‘Erfgoedisering’ van religie
Met ontkerkelijking en secularisatie worden religieuze plaatsen en praktijken ge-reframed als cultureel erfgoed. Daarbij ligt de nadruk niet langer (of nauwelijks) allereerst op het religieus belang, maar op het bewaren van erfgoed voor de samenleving. In Nederland kun je juist de aandacht voor psalmen ook in dat kader zien, want in het calvinistisch Nederland hebben de psalmen, in de vorm van de berijming op de Geneefse melodieën. een lange geschiedenis.
- Conclusie
Psalmen kunnen heel goed gekneed worden naar de huidige context. Kijkend naar het geheel van de vier casussen is er een wonderlijke diversiteit zichtbaar, een pluriform geheel van individuen en collectieven. De teksten blijken veel ruimte te bieden. Toch hadden de organisatoren en uitvoerenden verder kunnen gaan, aldus Vogel. Ze hadden voorbij de veronderstelde tegenstellingen (geloof – niet-geloof, e.d.) kunnen komen.
Hij formuleert daartoe drie uitdagingen:
- Niet enkel experimenteren met boosheid, ironie en verwijt, maar ook met dankzegging en onversneden lof. In het geval van Genemuiden: juist meer ruimte voor onzekerheid en twijfel.
- Verdergaand verkennen hoe je je collectief en individueel tot elkaar kunt verhouden, ook al geloof je niet hetzelfde of op dezelfde manier. Dat kan zichtbaar worden in rijkere vormen (niet alleen koor versus publiek, massieve samenzang), door perspectiefwisselingen (eigen aan de bijbelse psalmteksten).
- Ruimte laten voor wanhoop, lijden, ballingschap. Dat wil zeggen: niet altijd een happy ending. Eendimensionale verlossingsnarratieven hebben eerder een verpletterend dan een bevrijdend effect. Toch bezingen de bijbelse psalmen hoop. Hoe doe je dat, terwijl je ook recht doet aan wanhoop?
De vier bestudeerde projecten en de vormen van toe-eigening daarbij zijn eenmalige projecten of gebeurtenissen. Psalmen vragen door hun weerbarstigheid wellicht veel meer om herhaling, kortom: een liturgische praktijk.
Is er in de bestaande liturgische praktijken ruimte om de psalm een nieuw lied te laten zijn? Doen de huidige vormen daar recht aan? Bieden ze daar ruimte voor?
- Workshops
Na een korte pauze worden er groepen gevormd van vijf personen, met een mix van pastores/predikanten en musici. Iedere groep krijgt de opdracht om bij de tekst van Psalm 139 (NBV21) een rituele (liturgische) wijze van uitvoeren te bedenken, gedacht vanuit een total sound experience. Dat leverde de volgende resultaten op:
Opzet I
- Opvallende kenmerken van Psalm 139:
- Hans R.: de rechterhand van God is een machtige hand, het is een hand die je bij je nekvel grijpt als je ontspoort.
- Gerben: associaties met Oosterhuis: ‘Ken je mij’. Met het verhaal van Jona: ‘Je bent nergens uit het zicht’.
- Marian: drie delen, met cesuren bij ‘God, breng toch de goddelozen om’ en ‘Doorgrond mij, God, en ken mijn hart’. Associaties met de heilige Laurentius.
- Andries: contrast tussen begin ‘Heer, […] U doorgrondt mij’ en ‘Doorgrond mij, God’. Verbinding met de samenleving: ‘Geen woord ligt op mijn tong, of U, HEER, kent het ten volle’. Dat is een belangrijke boodschap in deze tijd van fake news, roeptoeteren en elkaar vliegen afvangen.
- In gezamenlijk gesprek komen we uit op het volgende motto: ‘De waarheid licht altijd op’. Hans R. citeert uit een lied van Jochen Klepper: ‘Uw oordeel is genade, uw duisternis is licht’. Marian denkt aan spiegels, gebroken spiegels waarin je geconfronteerd wordt met jezelf.
We kiezen vervolgens voor een stilering van een intochtspsalm vanwege de associaties met die confrontatie: het ‘over de drempel stappen’. We stellen ons een klassieke kerk voor met een middenpad waardoor je naar voren kan lopen:
- In het middenpad staan statieven met op elk statief een groot stuk van een gebroken spiegel. Er is een koor aanwezig. De kerk is donker.
- De gemeenschap verzamelt zich in de narthex. Als eerste gaat de voorganger naar binnen, de tekst ‘Doorgrond mij, God, en ken mijn hart’ reciterend, naar voren lopend door het middenpad. De overige leden van de gemeenschap volgen de voorganger met dezelfde recitatie, door elkaar. Voor aangekomen gaan zij naar hun plaats, daar blijven zij staan.
- Zodra er voldoende mensen binnen zijn, zet het koor in met de tekst ‘Al zei ik: laat het duister mij opslokken’ t/m ‘het duister helder zijn als het licht’ of een compacter deel daarvan. Langzaam gaan de lichten in de kerk aan.
- Zodra de gemeenschap volledig in de kerk verzameld is, vindt een overgang plaats van het koor en daarna de gemeente naar een tweetal achter elkaar gezongen zinnen: ‘Heer, U kent mij, U doorgrondt mij’ en ‘Doorgrond mij, God, en ken mijn hart’. De dubbeling van ‘doorgrond(t)’ als zekerheid en als verlangen komen hiermee tegelijk tot uitdrukking (in een eerste versie van onze vormgeving eindigden we met de eerste verzen. Bij nader inzien vonden we dat geen recht doen aan de gang door de psalm. Vandaar dat we nu eindigen met een combinatie van zinnen).
- Tijdens het zingen van de laatste zinscombinatie worden de spiegels met statieven naar de zijwanden van de ruimte geplaatst.
- De psalm wordt afgesloten met een citaat gespeeld op het orgel, dat nog éénmaal klinkt.
Opzet II
1. Drie aspecten trokken de meeste aandacht:
- Het gezien willen worden, in alles.
- De ervaring van pijn – heel breed te interpreteren – en het verlangen ‘weet wat mij kwelt’. Daarbij kwamen ook haatgevoelens ter sprake en de uitspraak die we in de huidige samenleving/wereld regelmatig verzuchten: ‘Dat is toch niet normaal’.
- De tegenstelling duister – licht.
2. Gedacht werd aan de liturgie in het kader van de Gebedsweek voor de Eenheid, ditmaal voorbereid door de Armeense Kerk. In hun liturgie speelt het licht van Christus een belangrijke rol. Een liturgische suggestie was om dichtbij een lichtbron te gaan staan zodat het licht op het gelaat weerkaatst en zo de mensen om dat licht met elkaar verbindt. Hoe verder van dat licht verwijderd, hoe minder weerkaatsing van licht.
3. Voorstel
In een donkere ruimte een grote brandende kaars plaatsen.
Mensen bewegen zich in die ruimte op verschillende afstanden van het licht.
In elk mensenleven zijn er momenten van licht en donker. In die zin kan men bij het bewegen in de ruimte een tijd dicht bij het licht staan en daarna zich ervan verwijderen.
Ondertussen wordt als een zich herhalende mantra gezongen:
Al zei ik: ‘Laat het duister mij opslokken,
het licht om mij heen veranderen in nacht’,
ook dan zou het duister voor U niet donker zijn –
de nacht zou oplichten als de dag,
het duister helder zijn als het licht.
Naar het eind toe wordt deze mantra vervangen door het zingen van:
Doorgrond mij, God, en ken mijn hart,
peil mij, weet wat mij kwelt.
Opzet III
1. Er rezen vragen rond de Redaktionsgeschichte van deze psalm en dan met name de verzen 19-22. Moet je, voordat je deze psalm voor de liturgie uitwerkt, dat niet eerst weten?
Toch zijn we welbewust van de voorliggende tekst uitgegaan, omdat dit de opdracht is.
2. Wat opvalt:
- De alomtegenwoordigheid van God, kosmisch, maar ook zeer persoonlijk. De tekst schetst de uitersten, is daardoor zeer ruimtelijk.
- Het eigenlijk gebed: de verzen 23-24: ‘Doorgrond mij, God, en ken mijn hart…’
3. We kiezen voor de psalm als overweging na de prediking. Daarbij wordt gebruikt gemaakt van de gehele kerkruimte, uit alle hoeken kan klank komen, vocaal, instrumentaal. In het algemeen is de opzet improvisatorisch.
- De verzen 1-3 en 23-24 vormen de omlijsting, als openbare acclamatie. Daarbinnen worden enkele kernpassages gekozen.
- Het begint klein en intiem (de sfeer van ‘een kapelletje’).
- Bij de passages die lastig zijn (vers 19-22) kan veel ‘geluid’ klinken (dissonant; instrumentaal en gesproken), maar ook kleinheid (gefluister achter de hand). Deze passages klinken vanuit de hoeken van de ruimte: als roep om vergelding, maar zeker ook als noodkreet.
- In verband met de ruimtelijkheid (vers 5-16), het kosmische (vers 9-12) én het zeer persoonlijke (vers 4-6 en 13-14) kan een breed scala aan klankkleur en klanksterkte worden gebruikt, evenals richtingen en locaties binnen de kerkruimte. Daarbij mag verstillen zeker niet worden vergeten.
- In het kader van vers 23-24, met name de zin ‘zie of ík geen verkeerde weg ga’ kunnen een of meer spiegels worden gebruikt.
Opzet IV
We hadden een boeiend gesprek. Oosterhuis (‘Ken je mij’) kwam – vanzelfsprekend – voorbij. Hoe? We kiezen voor een repeterend vers: ‘Met al mijn wegen bent U vertrouwd’. Een rapper neemt enkele andere regels voor zijn/haar rekening, steeds afgewisseld met ‘met al mijn wegen bent u vertrouwd’.
Opzet V
1. De tekst kan in diverse sacramentele contexten fungeren, maar nu zijn we doorgegaan op een uitvaart. Alle strofen is te veel; de vraag is ook wat je moet doen met de verzen 19-22. De keuze viel op de verzen 16-,15-18 en 23-24.
2. We kozen het liturgische moment van de antwoordpsalm. We kwamen niet toe aan het hoe en wat. Misschien een afwisseling tussen cantor en allen (eenvoudig refrein)?
Afsluiting
Na de korte presentatie door de workshops concludeert Henk Vogel dat er veel overeenkomsten zijn (bijvoorbeeld: het licht). De meeste groepen streven er ook naar om de ‘haatverzen’ recht te doen. Hij vertelt naar aanleiding van deze verzen dat in zijn onderzoek bleek dat buitenkerkelijken juist helemaal niet zoveel moeite hadden met deze passages. Het werd bijna vanzelfsprekend gekoppeld aan het onrecht en de machtswellust in de wereld.
Verder werd er in de meeste gevallen gekozen voor een multisensorische aanpak, met ook oog voor de plek in de ruimte.
Zijn slotgedachte: ‘ik hoop dat we het gaan meemaken’.
- Gedachtewisseling door de aanwezigen
Twee deelnemers zijn gevraagd om te reflecteren op het inhoudelijk deel van deze bijeenkomst, namelijk Marian Geurtsen en Jan Groenleer.
- Marian Geurtsen
Ik heb geboeid geluisterd naar het verhaal van Henk, zowel wat betreft de bestudeerde projecten als de analyse daarvan. Ik noem mij zelf ‘schatgraver in de traditie’, en dat is wat we vandaag ook hebben gedaan. Oude dingen worden beleefbaar gemaakt.
Ik werd getroffen door het bezien van de psalmen als reactie op de disenchantment.
Wat ik zelf lastig vind, is de erfgoedisering, musealisering (Genemuider bovenstemmen). Enerzijds betekent de benoeming tot erfgoed dat aan iets recht wordt gedaan. Anderzijds leidt het ertoe dat er dingen worden vastgelegd. Maar houdt het juist daardoor niet op om levende traditie te zijn? Als kerk hebben we met dit gegeven al eeuwenlang te maken. Steeds opnieuw is het de vraag: hoe voorkom je dat traditie dodend wordt, opdat het levende traditie blijft?
- Jan Groenleer
– Wij begonnen vanmorgen met ‘En Route van mens tot mens’, een première. Voor iemand die altijd in de kerk bezig is, was dat een inbraak in mezelf. Je komt in de psalm regelmatig U tegen en als kerkelijk mens denk je dan: God. Maar hier is het ‘En Route van mens tot mens. Met psalmen bezig zijn buiten de kerk zet je aan het denken over de teksten van de psalmen: altijd verstaan binnen de context van de kerk, maar nu in een andere context, en dat is een uitdaging.
– We zijn in groepjes met Psalm 139 aan de gang gegaan, mensen uit verschillende tradities. Dat zouden we als kerken in hun totaliteit vaker moeten doen. Het zou de oecumene bevorderen.
– Psalmen hebben ondertussen wel een adres. Hoe ga je daar buiten de kerkelijke context mee om? Dat vraagt om woorden te zoeken om anderen te bereiken. En die woorden kunnen wel eens anders zijn dan die binnen de kerk.
Henk Vogel merkt tot slot bij het derde punt van Jan Groenleer op dat in de onderzochte, niet-kerkelijke contexten het adresseren van God eigenlijk gemakkelijk bleek te zijn. De Psalmen nodigen je simpelweg uit om je op God te richten.
- Middaggebed
In het middaggebed zingen, bidden en lezen we naast de vaste gezangen: ‘Gij houdt de wereld in uw hand’ (Gezangen voor Liturgie 523; ‘Iam lucis orto sidere’), Psalm 57 en Galaten 5,22.25. Voorganger is Rudolf Scheltinga en cantor Richard Bot.
- Huishoudelijke zaken
- In memoriam Gerard Rouwhorst
Petra Mergaerts neemt ons mee door een aantal huishoudelijke zaken. Als eerste staat ze stil bij het zeer recente overlijden van ons zeer gewaardeerde lid Gerard Rouwhorst, jarenlang voorzitter van het Genootschap voor Liturgiestudie. Marian Geurtsen, die promoveerde bij Rouwhorst, spreekt een in memoriam uit (zie voor de tekst de bijlage aan het eind van dit verslag).
Namens het bestuur woonde Ko Joosse de uitvaart bij. Ook diverse andere leden waren aanwezig: Marian Geurtsen, Evert de Jong, Ekkehard Muth en Hans Uytenbogaardt.
6.2. Nieuwe leden
Stijn van der Woude, PKN-predikant in Warnsveld, heeft zich aangemeld als aspirant-lid. Niemand tekent bezwaar aan en zo wordt hij als lid verwelkomd (ook al kon hij vandaag niet aanwezig zijn).
De voorzitter wijst op het belang van nieuwe, en gezien de leeftijdsopbouw van onze vereniging vooral ook jonge leden. Zij roept op om met suggesties te komen.
- Volgende bijeenkomsten
- Maandag 20 april (twee dagdelen). Onderwerp: Queer theology met focus op liturgische componenten en in oecumenisch verband.
Deze bijeenkomst wordt inhoudelijk voorbereid door Petra Mergaerts en Anje de Heer (namens het bestuur) en vanuit de leden Marian Geurtsen en Evert de Jong.
- Maandag 28 september (ochtendbijeenkomst). Onderwerp: Peter Hoogstrate gaat in op zijn onderzoek naar Calvijn en de liturgie (inmiddels in boekvorm gepubliceerd (dl. 1): Calvijn en zijn liturgie, Straatsburg 1538-Genève 1542. Een onderzoek naar oorsprong en achtergronden van, en conflicten over Calvijns liturgisch werk. Uitgave Boekscout.
Er is nog geen voorbereidingswerkgroep. Leden worden opgeroepen zich hiervoor te melden.
- Donderdag 26 november (twee dagdelen). Symposium Liturgie in tijden van oorlog en vrede.
Dit symposium wordt inhoudelijk voorbereid door Sam Goyvaerts (bestuur) en Martin Hoondert (lid VvL en bestuurslid IRiLiS). Voor de praktische organisatie van deze dag worden de leden gevraagd zich te melden.
- Website
Tot op heden verzorgde Patrick Kuipers het beheer van de website van de Vereniging. Hij heeft echter te kennen gegeven dat hij door verhuizing en nieuwe functie meer op afstand is komen te staan. We zoeken iemand die zijn taak overneemt. Rudolf Scheltinga geeft na de vergadering aan dat hij deze taak op zich wil nemen.
- Overige zaken
- Het jaarverslag 2025 en de begroting 2026 komen in de aprilvergadering aan de orde. Eerder al is gecommuniceerd dat het lidmaatschapsgeld voor 2026 € 35,- wordt.
- Henk Vogel attendeert op een symposium rond de psalmen, vrijdag 24 april a.s. in de Bergkerk te Amersfoort.
- Pieter Endedijk vraagt aandacht voor een bijeenkomst in het kader van de afronding van het online Liedboekcompendium, zaterdag 28 maart a.s., 13.00-16.30 uur, in de Fonteinkerk te Amersfoort. Titel: Liederen en hun verhaal.
- Jan Groenleer heeft enkele exemplaren van zijn nieuwste boek meegenomen: O en Ach voorafgaande aan Kerstmis en Pasen. Uitgave Boekscout.
- Sluiting
De voorzitter sluit de vergadering, met dankzegging aan ieder voor hun bijdrage.
Bijlage
In memoriam Gerard Rouwhorst (1951-2026)
Met respect en dankbaarheid gedenken we vandaag Gerard Rouwhorst, die ons ontvallen is op 7 januari jongstleden.
Gerard was mijn docent liturgiewetenschap toen ik afstudeerde aan de KTU, en werd mijn promotor. Meer dan vijfentwintig jaar heb ik met hem opgetrokken.
Gerard werd in 1951 geboren in Lichtenvoorde, een dorp in de Achterhoek, in een eenvoudig gezin met twee zussen en een broer. Hij nam er zijn hele leven een liefde voor tuinieren van mee. Na de lagere school ging hij naar het kleinseminarie in Apeldoorn, waar hij het erg naar zijn zin heeft gehad.
Toen hij daar vanaf kwam, waren de grootseminaries opgegaan in de theologische universitaire opleidingen. Gerard ging wonen op Dijnselburg en studeerde theologie aan de KTHU. Onder andere kreeg hij privélessen van Willem van Unnik, van wie hij Syrisch leerde.
Na zijn studie kon hij een paar jaar studeren in Rome en in Parijs. Rome, daar was hij niet zo van onder de indruk. Het instituut in Parijs had meer kwaliteit; hier heeft hij veel geleerd over de oosterse kerk en dit is altijd een liefde van hem gebleven.
Terug in Utrecht promoveerde hij in 1985 op de paashymnes van Efrem de Syriër, zijn proefschrift verscheen in het Frans.
Hij werd docent aan de KTHA, KTUA in Amsterdam, en vanaf 1992 hoogleraar liturgiewetenschap aan de KTU in Utrecht. Zijn talenkennis is uitgebreid met Hebreeuws, Syrisch, Aramees, en naast Engels, Frans, Duits en Italiaans leerde hij ook nog Japans omdat zijn vrouw uit Japan komt.
In die jaren heb ik hem leren kennen, eerst voor mijn doctoraalscriptie en later voor mijn dissertatie. Hij moest wennen aan mijn vrouwenstudies en genderstudies-perspectief op de liturgiegeschiedenis. Andersom liet hij zich niet gemakkelijk overtuigen door wat ik aan vondsten had gedaan: hij trainde mij in zorgvuldigheid in het omgaan met de vroegchristelijke bronnen.
Mijn promotieonderzoek had een precair onderwerp: discussies over seksuele onreinheid in het vroege christendom van de derde eeuw. We konden samen heel enthousiast worden over menstruatie en zaadlozingen in de teksten van bisschop Dionysius van Alexandrië. Eens toen we een hoofdstuk bespraken in het café van het Catharijneconvent, merkten we dat dit bepaald geen doorsnee gespreksonderwerp is voor een jongere studente en een oudere man. De andere gasten in het museumcafé keken enigszins schuin onze kant op. We konden er samen wel om grinniken, die humor hoorde ook bij hem.
Hij schreef veel over eucharistische maaltijden in de vroegste eeuwen, bleef altijd zijn wetenschappelijke zorgvuldigheid trouw, ook als zijn vondsten in tegenspraak raakten met de theologie van de rooms-katholieke kerk over de eucharistie.
Andersom bleef hij ook de kerk trouw. Hij bleef betrokken bij de parochie. Hij gaf lezingen op studiedagen voor kerkelijke collega’s en vrijwilligers, over alle hedendaagse liturgische vraagstukken die er speelden.
Hij is jarenlang voorzitter geweest van de voorloper van onze Vereniging: het Genootschap voor Liturgiestudie.
Hij was jarenlang actief in de redactie van tijdschriften voor liturgie, zoals Heilig spel; en hoofdredacteur voor haar voorganger Vieren. Als er dan weer op het laatst nog een stevig artikel nodig was over een hoofdthema van het nummer, ging Gerard wel weer schrijven.
Een jaar geleden kreeg hij slecht nieuws van de artsen: er moest een zware behandeling volgen. Hij legde een deel van zijn activiteiten neer en gaf zich over aan zijn ziekte. In het voorjaar volgden zware behandelingen en een operatie. De behandelingen sloegen goed aan en Gerard bleef er optimistisch onder en hij knapte op. In het najaar pakte hij zijn oude taken alweer op, kwam op vergaderingen en schreef nog wat artikelen.
Vlak voor Oudjaar werd duidelijk dat de ziekte was teruggekeerd en nu niet langer behandeld kon worden. In de eerste week van januari ging hij snel achteruit. Het tij was niet meer te keren.
Vorige week was zijn uitvaart net zo eenvoudig als hij zelf was. Zijn familie, heel veel collega’s uit de kerk en van de universitaire wereld deden hem uitgeleide. Er klonk geen woord Latijn. Wel zongen we ‘De steppe zal bloeien’ en werd hij in het licht van Pasen gezet.
We gaan hem missen.
Marian Geurtsen