Liturgische muziek van onderop
Verslag vierde ledenbijeenkomst
donderdag 27 november 2025, Titus Brandsma Memorial te Nijmegen
Het onderwerp van deze bijeenkomst kwam voort uit de vraag: voldoet het vertrouwde repertoire van liturgische muziek eigenlijk nog wel? Liedbundels die in rooms-katholieke parochies gebruikt worden, zoals Zingt Jubilate en Gezangen voor Liturgie zijn al enkele decennia oud. Het protestantse Liedboek is weliswaar iets jonger, maar telt inmiddels ook al weer bijna 13 jaar. En intussen is vanuit een beweging van onderop een geheel nieuw liedrepertoire ontstaan, meestal charismatisch en evangelicaal van inhoud en sound.
Wat betekent dit voor het veld van de liturgie? Welke tendensen doen zich voor? Hoe kunnen we de kwaliteit toetsen van de nieuwe muziek die ontstaat en aan de hand van welke criteria en parameters? En welke visies op liturgie en muziek in de liturgie spelen daarin dan mee? Op deze bijeenkomst is gezocht naar antwoorden op deze vragen door zowel de theorie hieromtrent te verkennen als te luisteren naar ervaringen vanuit de praktijk.
Eerst sprak Jos Bielen o.praem. (kerkmusicus en norbertijn van de Abdij van Averbode) over de ontwikkelingen in de rooms-katholieke praktijk in Vlaanderen. Hij vertelde hoe daar de Interdiocesane Werkgroep Kerkmuziek op dit moment werkt aan een nieuwe editie van Zingt Jubilate. Vanuit een houding van geboeide nieuwsgierigheid en gezonde kritische zin kijkt men naar het voorhanden liedmateriaal. Daarbij hanteert de werkgroep verschillende criteria voor de beoordeling van liederen: taal, muziek, inhoud, functionaliteit, context, balans in het repertoire, juridische aspecten. Vooroordelen probeert ze te vermijden door álle partituren te anonimiseren.
Bielen benadrukte het belang van evenwicht tussen ratio en emotie; tegenwoordig is dat evenwicht veel beter dan in het verleden. Ook is het zinvol om in te zien dat wat ooit ‘van onderop’ was, later ‘van bovenaf’ kan worden. Repertoire moet steeds opnieuw getoetst worden, ook het vertrouwde. Daarbij bestaan er ook valkuilen. Wat in de ene context goed werkt, hoeft dat niet te doen in een andere. Zijn samenvattende conclusie was: probeer bij het beoordelen van liedmateriaal van onderop geboeid nieuwsgierig en gezond kritisch te blijven. Doe dat ook met het materiaal dat al jaren ‘van bovenaf’ komt. Houd steeds de – pluriforme! – geloofsgemeenschap voor ogen. Probeer het nieuwe uit en durf het oude ook los te laten.
Daarna ging Anje de Heer (o.a. adviseur liturgie bij Kerkpunt, bestuurslid van de VvL) in op liturgische muziek van onderaf in de protestantse traditie. Zij signaleert daar enerzijds gescheiden terreinen en anderzijds grensverkeer. In de protestantse traditie heeft muziek van onderop altijd op een of andere manier een rol gespeeld. Aanvankelijk werden in de calvinistische liturgie uitsluitend psalmen gezongen, afgezien van een enkel toegestaan gezang. Voor de praktijk daarbuiten ontstond echter een uitgebreid (religieus) liedrepertoire. Zo loopt er een lijn van de eeuw van de Reformatie via de tijd en cultuur van de Nadere Reformatie (met haar nadruk op bevindelijke geloofsbeleving) naar het enorme repertoire van stichtelijke liederen in de negentiende en vroege twintigste eeuw. De hymnoloog Jan Smelik heeft dit materiaal in zijn proefschrift Eén in lied en leven (Den Haag 1997) uitgebreid geanalyseerd. Het was volgens hem een wezenlijk onderdeel van een proces van beschaving en verzuiling. Liederen zijn ‘goede seismografen’ die aangeven wat er in kerk en samenleving aan de hand was (en is). Het is de vraag of al dit liedmateriaal uit deze periode beschouwd kan worden als ontstaan van onderaf. Was het niet net zozeer van bovenaf (beschavingsoffensief!)? Hoe dan ook, in deze periode werd een protestantse zangcultuur gevormd met een daarbij behorende beleving, die tot ver in de twintigste eeuw leidend was. Een speciale rol binnen dit repertoire was weggelegd voor de negro spiritual en gospel hymn. In de twintigste eeuw zijn naast de Liturgische Beweging ook allerlei andere stromingen en bewegingen van invloed geweest op de protestantse zangcultuur, ook die binnen de kerken. Zie bijvoorbeeld de evangelische beweging en allerlei culturele ‘onderstromen’.
In de middag kwamen vier korte impressies vanuit de praktijk aan bod. Vanuit de katholieke traditie vertelde Andries Stam over zijn ervaringen als cantor-organist in een oud-katholieke parochie en als dirigent van een oecumenische cantorij. In de oud-katholieke en rooms-katholieke praktijk signaleert hij weinig muziek van onderop; men zingt vooral uit vaste bundels. Hij pleitte voor meer ruimte voor liederen die uit de gemeenschap zelf komen, mits kritisch beoordeeld.
Chris Schreuder reflecteerde op de protestantse praktijk. Hij waarschuwde voor een ‘roept u maar’-liturgie. Hij stelt dat bij het ‘bottom-up’ in plaats van ‘top-down’ denken de liturgie er vaak bekaaid vanaf komt. De gemeente is subject van de liturgie, maar afspraken zijn nodig. Vier criteria, afgeleid van de notae ecclesiae, zijn dan behulpzaam: apostoliciteit, katholiciteit, heiligheid en eenheid. Zijn conclusie: muziek van onderop is waardevol, maar moet verbonden blijven met de traditie.
Bart Visser, theoloog, musicus en directeur van New Wine, liet zien wat er in de evangelisch-charismatische praktijk aan de hand is. Hij is betrokken bij o.a. Sela, Schrijvers voor Gerechtigheid en de bundel Hemelhoog. In de evangelische beweging is het principe ‘van onderop’ vanaf het begin de norm geweest. Daarbij zijn drie criteria belangrijk om te bepalen wat een goed lied is: authenticiteit, missionaire focus en participatie/performance. Liturgie is in zijn praktijk contextueel en gericht op mensen die het evangelie nog niet kennen. De liturgische praktijk zal daarom altijd van plaats tot plaats verschillen, in de Bijlmer totaal anders dan in de Biblebelt.
Ten slotte vertelden Anne Marie Bökkerink en Anja van Rossum over hun ervaringen in de missionaire parochiebeweging. In de Maria Geboorteparochie Nijmegen, waarin zij actief zijn, gaan priesters van de Emmanuelgemeenschap voor. Men zingt uit de bundel Hij leeft. De liederen daarin zijn gekozen met nadruk op meezingbaarheid, Schriftgebondenheid en liturgische aansluiting. Er is veel aandacht voor jonge mensen en kinderen. Er wordt bewust gewerkt aan herhaling van repertoire, zodat de liederen eigen kunnen worden. De vaste orde van de mis is altijd leidend.
In de discussies na de lezingen en de afsluitende discussie aan het eind van de dag kwamen veel aandachtspunten langs, zoals het belang van de liturgische performance, de betekenis van de ‘kerk van alle tijden en plaatsen’, de spanning tussen eenheid en culturele diversiteit en de noodzaak van ordening in het brede veld van kerkmuziek. Uit de studiedag werd duidelijk dat het om een belangrijk onderwerp gaat, dat in zichzelf echter snel onoverzichtelijk is, al was het maar door de grote kerkelijke diversiteit en pluriformiteit. In die zin eindigde de dag met een open einde. Anders gezegd: hoe kunnen er grote lijnen getrokken worden niet alleen vanuit de huidige ontwikkelingen, maar ook met oog op de toekomst?
Anje de Heer
Ko Joosse
secretarissen VvL